Paasposter 2013

Pasen 2013

“De gebeurtenis van Jezus van Nazareth kan niet iets van een ver verleden blijven, maar is beslissend voor ons geloof nu. Wat betekent het te zeggen dat Jezus van Nazareth, die tweeduizend jaar geleden in Galilea en Judea leefde, ‘tijdgenoot’ is van elke man en vrouw die vandaag en in elke tijd leeft? Jezus is voor altijd de menselijke geschiedenis binnengegaan en blijft daar leven, met zijn schoonheid en zijn kracht, in dat broze lichaam dat voortdurend zuivering nodig heeft, maar dat ook oneindig vervuld is van de goddelijke liefde: de Kerk, waarin Hij aanwezig is met zijn lijden, dood en verrijzenis. Dit is de reden waarom de Kerk tijdgenote is van elke mens, in staat om alle mensen en alle tijdperken te omhelzen”.

Benedictus XVI

“Het feit van de Menswording, de onbevattelijke christelijke pretentie, is substantieel en integraal in de geschiedenis gebleven: een mens die God is – die dus de mens kent en die de mens volgen moet om de ware kennis van zichzelf en van de dingen te bereiken. De oorspronkelijke ervaring, door de Evangelies doorgegeven, van degenen die met Jezus geleefd hebben en Hem gevolgd zijn, heeft een ondubbelzinnige betekenis: de bestemming heeft de mens niet alleen gelaten. Het christendom is een gebeurtenis die door de eeuwen verkondigd is en die ons vandaag nog bereikt. Het echte probleem is dat de mens haar met liefde erkent”.

Luigi Giussani

Christus en de Emmaüsgangers, bas-reliëf in de romaanse kloostergang, XIe-XIIe eeuw. Klooster van Silos, Spanje. (© Foto Angel Alonso Cuevas)

Geplaatst op 23 maart 2013 om 12:45 · Permalink

Preek van Kardinaal Eijk bij gelegenheid van de herdenking van de 8ste sterfdag van Don Giussani

Eucharistieviering bij gelegenheid van de 8ste sterfdag van de dienaar Gods Don Luigi Giussani (22 februari)
Kathedraal, Utrecht, Vrijdag na Aswoensdag, 15 februari 2013

Vaak stellen mensen in binnen- en buitenland de vraag: hoe was het mogelijk dat een goed en strak georganiseerde kerkprovincie als de Nederlandse met een zeer hoog kerkbezoek in de jaren zestig van de vorige eeuw in zo’n kort tijdsbestek in een zeer diepe crisis terecht kwam? Voor insiders kwam die crisis echter niet onverwachts. Al in de jaren de jaren ’40 werd een innerlijke verzwakking van de geloofsbeleving manifest onder katholieken in ons land. Men constateerde toen al dat velen vooral nog on sociale redenen aan kerkelijke activiteiten deelnamen: zij gingen naar de katholieke school, waren lid van een of meer van de talrijke katholieke verenigingen en daarom ook maar naar de kerk. De geloofsinhoud op zich raakte echter niet meer het leven van een groot aantal katholieken.

In dit opzicht is het onderscheid dienstig dat godsdienstsociologen maken tussen intrinsieke en extrinsieke religiositeit. Religiositeit is extrinsiek (uiterlijk) als mensen lid zijn van de Kerk en aan haar leven deelnemen, omdat dat gunstig is voor hun sociale posities en hun zakelijke belangen, ze bij een groep willen horen of het zien als een middel tegen eenzaamheid. Een mens met een intrinsieke religiositeit maakt zich het zich geloof eigen, kiest voor een persoonlijk contact met Christus en een bewust gebedsleven. Hij of zij is tevens innerlijk gemotiveerd om zich de waarden van christelijk geloof eigen te maken in het leven van elke dag.

Dit onderscheid is het onderwerp van de lezingen van deze Eucharistieviering. Jesaja wijst een vorm van vasten af die wordt beoefend om indruk te maken op de omgeving. Tevens verwerpt hij de gedachte dat we als gevolg van ons vasten het recht zouden hebben om iets van God te kunnen eisen (Jes. 58,1-9a). Waar het bij vasten wel om gaat maakt Jezus heel duidelijk in het Evangelie (Mat. 9,14-15). We moeten vasten om intrinsieke motieven, namelijk omwille van Jezus, de bruidegom van de Kerk. Door ons vasten proberen we iets mee te voelen, hoe weinig ook, van het lijden van Jezus voor onze Verlossing. Wat we door te vasten overhouden, geven we weg aan medemensen in nood, zoals Jezus Zelf deed en van ons vraagt. Het innerlijke motief om te vasten is het navolgen van Jezus. Het gaat bij vasten en geloven uiteindelijk om Zijn Persoon.

Wat zich bij ons in de jaren ’40 al manifesteerde werd enige tijd later ook zichtbaar in andere West-Europese landen. Daar liep de priester tegenaan, de dienaar Gods, bij wiens leven en gedachtegoed we vandaag in het bijzonder willen stilstaan, don Luigi Giussani. Van 1954 tot 1964 was hij godsdienstleraar aan het lyceum ‘Giovanni Berchet’ in Milaan. Hier ontdekte hij dat zijn leerlingen de geloofsinhoud op zich weliswaar niet verwierpen, maar tegelijkertijd de relatie niet zagen tussen het geloof in Christus en hun leven. Wat een decennium eerder in Nederland gebeurd was, voltrok zich zich ook in Noord-Italië aan het einde van de jaren ’50. Dit intrigeerde don Giussani.

Wie de band tussen geloof en leven niet ziet, ziet de relevantie van geloof niet meer en loopt daardoor risico het te verliezen. Het gevolg is geen echt puur atheïsme, een volslagen ontkenning van het bestaan van God, maar een praktisch atheïsme: een geloof zonder betekenis voor het dagelijks leven. Deze vorm van extrinsieke religiositeit is in de laatste halve eeuw onder West-Europese katholieken een massaverschijnsel geworden. Binnen dit kader heeft geloof hooguit nog te maken met sfeer, bepaalde verheven gevoelens en beperkt het zich tot de deelname aan enkele hoogfeesten, als dat tenminste nog het geval is. Deze tendens manifesteert zich tevens in de gedachte dat geloof op ethisch gebied weinig relevant is. Het geloof zou hooguit enkele algemene normen voor de houding van christenen inhouden, maar voor zeker geen concrete normen voor het praktische leven van elke dag.

In zijn godsdienstpedagogiek was dit de fundamentele vraag voor don Giusani: hoe kunnen we vooral jonge mensen brengen tot een persoonlijke levende band met Christus die het leven in al zijn aspecten bestempelt? Om hun hierbij te helpen richtte hij in jaren ’50 een jeugdbeweging op, die vanaf 1969 bekend staat als Comunione e Liberazione, met als doel jonge gelovige mensen in gemeenschap bij elkaar te brengen. Zo kregen zij de gelegenheid om in gezamenlijkheid hun geloof praktisch te beleven en vanuit het geloof te socialiseren. Comunione et Liberazione is er bijvoorbeeld in de jaren ’70 in geslaagd om in diverse universiteitsraden, toen gedomineerd door communistische fracties, een andere toon te zetten

De werkzaamheden, de lezingen, het onderricht en de geschriften van don Giussani stonden in het teken van de vraag hoe geloof en leven bij elkaar te brengen. Dit blijkt ook uit de titels van zijn boeken, bijvoorbeeld Il senso religioso (De geloofszin) en Il senso di Dio e l’uomo moderno (De zin voor/Het besef van God en de moderne mens). In zijn boek Si può vivere così? (Kan men zo leven?) uit 2007 treffen we een van zijn meest geciteerde en ook kenmerkende uitspraken aan:

“Wat is het meest kenmerkende van het geloof in Christus? … Het eerste kenmerk is een feit! … Een ontmoeting is een feit. Het eerste kenmerk van het christelijk geloof is dat het van een feit uitgaat, een feit dat de vorm heeft van een ontmoeting.”

Vaak wil men ons doen geloven dat wie we zijn voor het overgrote deel wordt bepaald door onze genen, ons DNA. We weten echter dat ons leven, onze houding en ons karakter grotendeels worden gevormd door ontmoetingen. Niet door de oppervlakkige, maar door de feitelijke en concrete, intense en betekenisvolle ontmoetingen met ouders, andere gezinsleden en familieleden, leraren, vrienden priesters en de geestelijke leidsman. De meest fundamentele ontmoeting die we kunnen hebben wordt een feit in de ontmoeting met God, die ons in Christus door Zijn menswording tegemoet komt, in Zijn lijden tot in de uiterste consequenties ons menselijk bestaan deelt en ons wil meenemen in Zijn verrijzenis naar de eeuwige, ook feitelijke ontmoeting met God. De feitelijke ontmoeting met Jezus in denken en beleven, in doen en laten maakt ons tot mensen met een levendige relatie met God. Dit is de meest intense ontmoeting die we ooit kunnen hebben en die voor ons leven in al zijn facetten bepalend is

God zorgt ervoor dat er in elke tijd weer mensen zijn die, geïnspireerd door de Heilige Geest, namens Hem optreden en wegen wijzen om te midden van welke concrete tijdomstandigheden en crisissen ook volgeling van Jezus te kunnen zijn en intens en bewust met Hem door het leven te gaan. Wij zijn don Giussani zeer erkentelijk dat hij zijn hele leven heeft ingezet om deze roeping die hij van God heeft ontvangen, gestalte te geven. Wij bidden dat zijn zaligverklaringsproces voorspoedig verloopt en tot het gewenste resultaat mag leiden. We bidden ook voor zijn volgelingen, in het bijzonder de leden van Comunione e Liberazione, dat zij zijn spiritualiteit intens blijven beleven en uitdragen. Want deze op een bewuste Christusverbodenheid gebaseerde spiritualiteit kan mensen van onze tijd helpen om heel hun leven door het geloof te laten doordrenken.

+ Willem Jacobus Kardinaal Eijk
Aartsbisschop van Utrecht

Geplaatst op 18 februari 2013 om 13:13 · Permalink

Kerstposter 2012

Kerstmis 2012

‘Niemand kan zeggen: ik heb de waarheid’, werpt men tegen – en terecht: niemand kan de waarheid hebben, de waarheid heeft ons, het is iets levends! Wij zijn niet haar bezitters, maar we zijn door haar gegrepen. God is ons zo nabij gekomen, dat Hijzelf een mens is – dat moet ons steeds opnieuw schokken en verrassen! Hij is zo dichtbij dat Hij één van ons is. Hij weet hoe het is om mens te zijn, hij kent het mens-zijn van binnenuit, hij heeft het ervaren met zijn vreugden en met zijn lijden. Als mens is Hij me nabij, op ‘gehoorsafstand’ nabij.

Benedictus XVI

Het grootste wonder dat de leerlingen dag na dag trof, was niet de genezing van de lamme of de blinde noch de reiniging van de melaatse. Het grootste wonder was Zijn blik die het mens-zijn onthulde en waaraan je je niet kon
onttrekken. Er is niets dat de mens zozeer overtuigt als een blik die omvat en aan het licht brengt wat hij is, die de mens aan zichzelf onthult. Jezus schouwde in het binnenste van de mens, niemand kon zich voor hem verbergen, tegenover hem hadden de diepste regionen van het bewustzijn geen geheimen.

Luigi Giussani


Gaetano Previati, De aanbidding der wijzen (1892). Milaan, Pinacoteca di Brera. (Foto: Getty Images)

Geplaatst op 9 december 2012 om 20:55 · Permalink

Opening van het jaar: Het leven als roeping

De tekst van de opening van het jaar is hier beschikbaar.

Geplaatst op 13 oktober 2012 om 19:41 · Permalink

God heeft gesproken. Maar hoe komt de mens dat te weten?

Overweging van de Heilige Vader Benedictus XVI tijdens de eerste Algemene bijeenkomst:

Geplaatst op 8 oktober 2012 om 19:45 · Permalink

Nieuwe serie Avonden aan de Aa

Volgende week zaterdag gaat de reeks culturele avonden in Den Bosch weer van start. Meer informatie is te vinden op de website www.avondenaandeaa.nl en in de agenda.

Geplaatst op 22 september 2012 om 22:21 · Permalink

Vakantie Gemeenschap en Bevrijding 2012

In juli was er dit jaar weer de vakantie van de Nederlandse gemeenschap van CL met het thema “De tijd van de persoon is aangebroken”.

Hieronder enkele foto’s:

 

 

Geplaatst op 22 september 2012 om 21:11 · Permalink

Het tegenovergestelde van slavernij is niet autonomie maar kindschap

Vertaling van de Boodschap van paus Benedictus aan de 33e Meeting voor de vriendschap onder de volkeren in Rimini, die deze week plaatsvindt:

Mij hartelijke groet aan u [mgr. Francesco Lambiasi, bisschop van Rimini], de organisatoren en alle deelnemers aan de Meeting voor de vriendschap onder de volkeren, die al zijn 33e editie beleeft. Het thema van dit jaar – “Van nature is de mens relatie tot het oneindige” – is vooral belangrijk met het oog op de naderende start van de ‘”Jaar van het geloof”, dat ik uitgeroepen heb bij gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de opening van het Tweede Vaticaans Concilie.
Spreken van de mens en zijn verlangen naar het oneindige betekent allereerst zijn constitutieve relatie met de Schepper erkennen. De mens is een schepsel van God. Heden ten dage lijkt dit woord – schepsel – haast uit de mode te zijn: we zien de mens liever als een uit zichzelf compleet wezen en als absolute schepper van zijn eigen lot. De beschouwing van de mens als schepsel lijkt “ongemakkelijk”, omdat het een essentiële referentie impliceert naar iets anders, of beter, naar Iemand anders – die niet beheersbaar is door de mens – die op essentiële manier zijn identiteit komt bepalen; een relationele identiteit, waarvan het eerste kenmerk is de oorspronkelijke en ontologische afhankelijkheid van Degene die ons gewild en geschapen heeft. Maar deze afhankelijkheid, waarvan de moderne en hedendaagse mens zich poogt te bevrijden, verbergt en verkleint de grootsheid en de waardigheid van de mens niet alleen niet, maar openbaart ze in hun volle licht: de mens is in het leven geroepen om een relatie met het Leven zelf aan te gaan, met God.
Zeggen dat “de mens van nature relatie is met het oneindige” betekent dan zeggen dat elke persoon geschapen is om in relatie te kunnen treden met God, met de Oneindige. Aan het begin van de geschiedenis van de wereld zijn Adam en Eva de vrucht van een liefdesdaad van God, gemaakt naar Zijn beeld en gelijkenis, en vielen hun leven en hun relatie met de Schepper samen: “God schiep de mens naar zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem: man en vrouw schiep Hij hen” (Gen 1,27). En de erfzonde heeft zijn uiteindelijke wortel juist daarin, dat onze voorouders zich onttrokken aan deze constitutieve relatie, zich op de plaats van God wilden stellen, geloofden zonder Hem te kunnen. Maar ook na de zonde blijft in de mens een brandend verlangen naar deze dialoog, als het ware een handtekening die de Schepper zelf met vuur in zijn ziel en in zijn vlees geprent heeft. Psalm 63 [62] helpt ons binnen te gaan in het hart van deze kwestie: “God, mijn God zijt Gij, ik zoek u reeds bij het ochtendgloren, naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn vlees, als dorre akkers naar regen” (v. 2). Niet alleen mijn ziel, maar elke vezel van mijn vlees is gemaakt om zijn vrede, zijn verwezenlijking te vinden in God. En deze neiging is onuitwisbaar in het hart van de mens: ook wanneer hij God afwijst of ontkent, verdwijnt in hem de dorst naar het oneindige niet. Dan begint er daarentegen een wanhopige en steriele zoektocht naar “valse oneindigheden” die ten minste voor een moment bevrediging geven. De dorst van de ziel en de hunkering van het vlees waarvan de Psalmist spreekt, kunnen niet weggemaakt worden; en daarom blijft de mens, zonder het te weten, zoeken naar het Oneindige, maar in verkeerde richtingen: in drugs, in een ongeordend beleefde seksualiteit, in totaliserende technologieën, in succes tot elke prijs, zelfs in misleidende vormen van religiositeit. Ook de goede dingen, die God heeft geschapen als wegen die leiden naar Hem, lopen niet zelden het risico verabsoluteerd te worden en zo afgoden te worden die de Schepper vervangen.
Erkennen gemaakt te zijn voor het oneindige betekent een weg doorlopen van zuivering van wat we “valse oneindigheden” hebben genoemd, een proces van bekering van hart en geest. De valse beloften van oneindigheid die de mens verleiden en hem tot een slaaf maken, moeten uitgeroeid worden. Om echt zichzelf en zijn eigen identiteit terug te vinden, om op de hoogte van het eigen wezen te leven, moet de mens weer erkennen schepsel te zijn, afhankelijk van God. Aan de erkenning van deze afhankelijkheid – dat ten diepste de vreugdevolle ontdekking is kinderen van God te zijn – is de mogelijkheid gekoppeld voor een echt vrij en vol leven. Het is interessant op te merken hoe Paulus in zijn Brief aan de Romeinen het tegenovergestelde van slavernij niet zozeer ziet in vrijheid als wel in het kindschap, in het ontvangen hebben van de Heilige Geest die ons tot aangenomen kinderen maakt en ons in staat stelt om te roepen tot God: “Abba! Vader” (vgl. 8,15). De Apostel van de heidenen spreekt van een “slechte” slavernij: die van de zonde, van de wet, van de hartstochten van het vlees. Hiertegenover stelt hij echter geen “autonomie”, maar de “slavernij van Christus” (vgl. 6,16-22), meer nog, hij definieert zich zichzelf als “Paulus, dienstknecht van Christus Jezus” (1,1). Het fundamentele punt is dus niet de afhankelijkheid te elimineren – die constitutief is voor de mens – maar ze te richten op Hem, die alleen werkelijk vrij kan maken.
Op dit moment komt echter een vraag op. Is het niet structureel onmogelijk voor de mens op de hoogte van zijn eigen natuur te leven? En is deze hunkering naar het oneindige, die hij voelt, zonder dat hij die ooit volledig kan bevredigen, geen veroordeling? Deze vraag voert ons rechtstreeks naar het hart van het christendom. Want het Oneindige zelf, om antwoord te worden dat de mens kan ervaren, heeft een eindige vorm aangenomen. Sinds de Incarnatie, vanaf het moment waarop het Woord vlees is geworden, is de onoverbrugbare afstand tussen het eindige en oneindige geannuleerd: de eeuwige en oneindige God heeft zijn Hemel verlaten en is binnengetreden in de tijd, heeft zich ondergedompeld in de menselijke eindigheid. Niets is daarom banaal of onbeduidend in de reis van het leven en van de wereld. De mens is gemaakt voor een oneindige God, die vlees is geworden, onze menselijkheid aangenomen heeft om haar aan te trekken tot de hoogten van zijn goddelijke wezen.
Zo ontdekken we de ware dimensie van het menselijk bestaan, waaraan de Dienaar Gods Luigi Giussani voortdurend herinnerde: het leven als roeping. Elk ding, elke relatie, elke vreugde, evenals elke moeilijkheid, vindt zijn uiteindelijke reden daarin dat het gelegenheid is voor de relatie met het Oneindige, stem van God die ons voortdurend roept en uitnodigt de blik omhoog te richten, in het je hechten aan Hem de volle verwezenlijking van ons mens-zijn te ontdekken. “Gij hebt ons voor U gemaakt”, schreef Augustinus, “en onrustig is ons hart, totdat het rust in u” (Belijdenissen I, 1.1). We moeten niet bang zijn voor wat God ons door de omstandigheden van het leven vraagt, al was het ook de toewijding van heel onszelf in een bijzondere vorm van navolging en imitatie van Christus in het priesterschap of het religieuze leven. Door sommigen te roepen om volledig van Hem te leven, roept de Heer allen op de essentie van hun natuur als menselijke wezens te erkennen: gemaakt voor het oneindige. En God geeft om ons geluk, om onze volledige menselijke realisatie. Laten we daarom vragen binnen te gaan en te blijven in de blik van het geloof die de heiligen kenmerkte, om de zaden van goedheid te ontdekken die de Heer uitstrooit langs de weg van ons leven en ons met vreugde te hechten aan onze roeping.
Ik hoop dat deze korte gedachten van nut kunnen zijn voor degenen die deelnemen aan de Meeting, verzeker u van mijn nabijheid in het gebed en hoop dat de reflectie van deze dagen allen binnen zal kunnen voeren in de zekerheid en in de vreugde van het geloof.
Aan U, Eerbiedwaardige Broeder, aan de verantwoordelijken en aan de organisatoren van het festival, alsmede aan alle aanwezigen, verleen ik zeer gaarne een bijzondere Apostolische Zegen.

Vanuit Castel Gandolfo, 10 augustus 2012

Geplaatst op 23 augustus 2012 om 13:50 · Permalink

We hebben een lange weg te gaan

We hebben een lange weg te gaan

door Julián Carrón

La Repubblica, 1 mei 2012

Geachte redactie,

Het lezen van de kranten dezer dagen heeft me een onuitsprekelijke pijn gegeven bij het zien van wat we gedaan hebben met de genade die we hebben ontvangen. Als de beweging van Gemeenschap en Bevrijding voortdurend vereenzelvigd wordt met de aantrekkingskracht van macht, geld, levensstijlen die niets te maken hebben met wat we ontmoet hebben, dan zullen we wel enige aanleiding gegeven hebben. En dit ofschoon CL buiten welke verduistering dan ook staat en nimmer een ‘machtssysteem’ opgezet heeft. Evenmin doen hier afbreuk aan overigens legitieme overwegingen met betrekking tot de verbijsterende manier waarop deze informatie verspreid wordt, door middel van een inmiddels door iedereen geaccepteerde schending van de in de Grondwet voorziene procedures en waarborgen.

De ontmoeting met don Giussani is voor ons de mogelijkheid geweest het christendom te ontdekken als een werkelijkheid die even aantrekkelijk als wenselijk is. Daarom is het een grote vernedering te moeten constateren dat af en toe de fascinatie van het begin voor ons niet voldoende geweest is om ons te bevrijden van de bekoring van zuiver menselijke succes. Onze aanmatiging, te denken dat die oorspronkelijke fascinatie alléén genoeg zou zijn, zonder de noodzaak ons te engageren in een werkelijke navolging, heeft gevolgen die ons ontstellen.

Het feit dat don Giussani ons tot zijn dood getuigd heeft wat ons leven zijn kan wanneer het gegrepen wordt door Christus, toont dat aan zijn christelijke voorstel niets ontbreekt. Velen die hem gekend hebben, bevestigen wat wij, zijn kinderen, in een meer of minder nauw samenleven met hem hebben kunnen genieten: dat zijn persoon ‘overstroomde’ van Christus. Deze overtuiging heeft ons ertoe gebracht de opening te vragen van het zaligverklaringsproces, zeker van het goede dat don Giussani voor de Kerk is geweest en is, om te antwoorden op de uitdagingen waarmee het christendom vandaag de dag geconfronteerd wordt. We vragen vergeving als we de gedachtenis van don Giussani schade toegebracht hebben met onze oppervlakkigheid en ons gebrek aan navolging. Het is de taak van rechters om te bepalen of bepaalde door sommigen begane fouten ook misdrijven zijn. Van de andere kant kan iedereen beoordelen of we, te midden van vele fouten, erin geslaagd zijn een zekere bijdrage te leveren aan het algemeen welzijn.

Wanneer een ledemaat lijdt, lijdt het hele lichaam mee, heeft sint Paulus ons geleerd. Wij, de leden van dit lichaam dat Gemeenschap en Bevrijding is, lijden mee met degenen die  in de schijnwerpers van de media staan, bewust van onze zwakheid, dat we jegens hen niet in voldoende mate getuigen zijn geweest; en dit maakt ons bewuster van de behoefte die ook wij hebben aan de barmhartigheid van Christus.

Echter, met dezelfde loyaliteit waarmee we onze fouten erkennen, moeten we ook toegeven dat we de ontmoeting die ons gebeurd is en die ons voor altijd gevormd heeft, niet uit de vezels van ons wezen kunnen losrukken. Al het kwaad van onszelf en van onze vrienden kan de passie voor Christus niet tenietdoen waarmee de ontmoeting met het charisma van don Giussani ons heeft ‘ingeënt’. De levenskoorts die hij ons doorgegeven heeft, is zo groot, dat geen enkele beperking hem kan verwijderen en stelt ons in staat om heel ons kwaad onder ogen te zien zonder het te legitimeren of te rechtvaardigen.

De gebeurtenis van de ontmoeting met Christus heeft ons zo sterk getekend dat ze ons in staat stelt steeds opnieuw te beginnen, na elke fout weer, telkens nederiger en bewuster van onze zwakheid. Zoals het volk van Israel kunnen we van alles beroofd worden, zelfs in ballingschap gaan, maar Christus, die ons gefascineerd heeft, blijft voor altijd. Hij wordt niet verslagen door onze nederlagen. Net als de Israëlieten moeten we leren ons bewust te zijn van ons onvermogen onszelf te redden, moeten we opnieuw leren wat we dachten al te weten, maar niemand kan ons de zekerheid ontnemen dat de barmhartigheid van God eeuwig is. Hoe dikwijls heeft don Giussani ons niet ontroerd wanneer hij sprak over het ‘ja’ van Petrus na zijn verloochening.

Daarom hebben we geen andere lezing van deze feiten dan dat ze een krachtige oproep tot zuivering zijn, tot bekering tot Degene die ons gefascineerd heeft. Hij, zijn aanwezigheid, zijn onvermoeibare kloppen aan de deur van onze vergeetachtigheid, van onze verstrooidheid, wekt in ons nog sterker het verlangen op de zijnen te zijn. We hopen dat de Heer ons de genade geeft om met eenvoud op deze oproep te antwoorden. Het zal de beste manier zijn om te getuigen dat de genade die aan don Giussani gegeven is, veel groter is dan wij, zijn kinderen, in staat zijn te laten zien.

Alleen zó kunnen we in de wereld een ‘verschilmakende aanwezigheid’ zijn, zoals velen van ons al getuigden op hun werkplek, op de universiteit, in het sociale leven en in de politiek of met vrienden, door het verlangen dat het geloof niet gereduceerd wordt tot iets in de privésfeer. Wie ons ontmoet, weet dat goed: iets raakt hem zozeer dat hij zin krijgt om deel te hebben aan wat wij gekregen hebben. Daarom moeten we voortdurend erkennen dat ‘aanwezigheid’ niet synoniem is met macht of met hegemonie, maar met getuigenis, dat wil zeggen met een ‘verschillend mens-zijn’ dat ontstaat uit de ‘macht’ van Christus om te beantwoorden aan de onuitputtelijke behoeften van het menselijk hart. En we moeten toegeven dat de geschiedenis veranderd wordt door datgene wat het hart van de mens verandert, zoals we allemaal weten uit eigen ervaring. We zullen deze nieuwheid alleen maar kunnen beleven als we in de voetsporen van don Giussani treden en het geloof verifiëren in de ervaring. Niet voor niets was hij ervan overtuigd dat enkel wanneer het geloof een ervaring in het heden is, en door die ervaring bevestigd wordt in zijn nut voor het leven, het geloof weerstand kan bieden in een wereld waarin alles, alles het tegenovergestelde zegt.

We hebben nog een lange weg voor ons en we zijn gelukkig die te mogen doorlopen.

De auteur is president van de Fraterniteit van Gemeenschap en Bevrijding

Geplaatst op 18 mei 2012 om 14:57 · Permalink

Gebedsprentje Luigi Giussani

Ten behoeve van persoonlijke devotie is het nu mogelijk dit gebedsprentje te gebruiken.

Geplaatst op 16 mei 2012 om 16:10 · Permalink